Gomeros
Groenten en maïs op erosiegevoelige percelen
Gomeros
Groenten en maïs op erosiegevoelige percelen
Groenten op ruggen

Resultaten 2018: Tandbewerking en drempeltjes in de ruggenteelt van wortelen

Resultaten 2017: Tandbewerking en drempeltjes in de ruggenteelten van prei en witloof

Resultaten 2016: Erosie tegengaan in groenteteelten op ruggen: bevindingen in witloof en prei

RESULTATEN 2018: TANDBEWERKING EN DREMPELTJES IN DE RUGGENTEELT VAN WORTELEN

De tussenruggen vormen preferentiële afstroomwegen voor erosie. Bovendien is de bodembewerking en het berijden bij aanleg van de ruggen zo intensief, dat de tussenruggen verdicht worden en dat regenwater moeilijker gaat infiltreren. Erosie in de tussenruggen aanpakken doe je best door de infiltratiecapaciteit van de bodem te verhogen (opheffen van de verdichte lagen tussen de ruggen), de bodem te verruwen (afstromend water vertragen) en/of drempeltje te leggen. Voortbouwend op de resultaten van de proeven met witloofwortelen en prei de voorbije jaren, werd in 2018 gekozen voor twee behandelingen bij wortelen op een rood perceel in Zwalm: nl. vaste tand met langwerpige beitel (5 cm breed) tot 13 cm diep en dezelfde tandbewerking tot 13 cm diep gecombineerd met drempels aangelegd door een Barbutte drempelmachine.

Na ploegen werden op 21 mei de ruggen getrokken in combinatie met het zaaien van de wortel. Hierbij werd gebruik gemaakt van een sporenwisser (vaste tand, 5 cm diep) achter beide wielen van de trekker. Een week later werd in de tussenrug een tandbewerking uitgevoerd al dan niet gecombineerd met drempels. In de tussenrug met drempels bedroeg de tussenafstand 1,5 m en hoogte drempels 21-22 cm. Een onbehandelde tussenrug werd als referentieobject van de teler meegenomen. Opvangbakken werden geïnstalleerd in een bereden tussenrug bij elk van de drie behandelingen. Na regenbuien werden de bakken gecontroleerd en de hoeveelheid water in de bakken bepaald. Het sedimentverlies werd berekend op basis van het uitdampen van een opgeroerd staal.

Tussenrug wortelen (na schoffelen) met opvangbak voor run-off en sediment. 

Met een diepe tandbewerking (13 cm diep) met langwerpige beitel kunnen de harde lagen worden gebroken en opgewerkt, en kan het water makkelijker infiltreren. Dit kan zonder de ruggen te beschadigen, maar de werksnelheid moet voldoende laag gehouden worden om het opwerpen van aarde naar de bovenkant van de rug te beperken. Na een diepe tandbewerking werd gedurende het hele groeiseizoen nooit run-off en erosie vastgesteld. De reductie was dus 100% (in de referentie werd wel heel duidelijk run-off en erosie gemeten). Er was geen belemmering van schoffelen of rooien. Door gebruik van een vaste tand in combinatie met een Barbutte drempelmachine, worden de harde lagen gebroken en kan met de losse aarde gemakkelijk drempels opgebouwd worden. Tot het moment van schoffelen werd geen run-off en erosie vastgesteld en was er dus eveneens 100% reductie. Met het schoffelen werden de drempels weggewerkt. Na schoffelen werd nu wel erosie vastgesteld, maar nog steeds minder dan bij de referentie. In totaal was er een erosiereductie van 60% over het hele groeiseizoen. Door het schoffelen worden de drempels terug opengetrokken en de bodem opnieuw verdeeld en verfijnd waardoor het risico op run-off en sedimentverliezen (wegens minder ruwe en losgemaakte tussenruggen dan bij de behandeling met tand) verhoogt. De drempels belemmerden de teler niet bij het schoffelen en rooien.

   

Opbouw van de machine gebruikt in behandeling tand (links) en het resultaat in de tussenrug (rechts). 


   

Opbouw van de machine gebruikt in behandeling tand + drempels (links) en het resultaat in de tussenrug (rechts). 

Ingegraven bakken in bereden tussenruggen bij behandelingen referentie (links), tand (midden) en tand + drempels (rechts) om run-off en sediment op te vangen 30m hellingopwaarts in de teelt van wortelen. 

Meer details over de proeven zijn te vinden in het proefveldrapport: hoofdstuk 9.

In 2019 bouwen we verder op de ervaringen uit 2016-2018 en leggen opnieuw een proef aan met prei in Heuvelland, waarbij we meer ervaring wensen op te doen m.b.t. het afstellen van de tanden (in combinatie met drempeltjes) en het gebruiksgemak en de rijsnelheid. Bovendien willen we ook het effect van een oogst in natte omstandigheden bekijken. Hierbij hebben we ook aandacht voor de gebruikte rooimachines (rupsbanden versus gewone banden).

RESULTATEN 2017: TANDBEWERKING EN DREMPELTJES IN DE RUGGENTEELTEN VAN PREI EN WITLOOF

Uit de proef met ruggenteelt prei aangelegd in 2016 volgde dat elke verruwing van het bodemoppervlak tussen de ruggen de runoff sterk doet afnemen. Het viel wel op dat de drempeltjes het zeer goed deden, maar dat er achter de drempeltjes nog lang water bleef staan omwille van de beperkte infiltratiecapaciteit van de bodem. In 2017 werd de combinatie van drempeltjes met verschillende tandbewerkingen in 1 enkele werkgang uitgetest. Het was de bedoeling om enerzijds een groot waterbergend vermogen te creëren door de aanleg van drempeltjes, en anderzijds de infiltratiecapaciteit van de bodem te verbeteren door een tandbewerking. Het bleek vooral belangrijk om de keuze van de gebruikte tand af te stemmen op de omstandigheden op het terrein. De diepte – en de breedte – van de tand bepaalt de hoeveelheid bodem die losgemaakt wordt en dus de grootte van de drempeltjes. Een brede ganzevoetvormige tand neemt zelfs bij geringe diepte al heel veel aarde mee. Met een vaste tand kan dieper gewerkt worden, maar dat vraagt veel afstelling. Bovendien worden hiermee zeer grote kluiten losgemaakt. Wanneer teveel aarde losgemaakt wordt door de tand, dan riskeer je de ruggen te beschadigen of aarde bovenop de ruggen te werpen. Bovendien moet je dan trager rijden. Wanneer gewerkt wordt in een losse bodem wordt best geopteerd voor een triltand. Door de trillingen worden grote kluiten verkleind en kan relatief snel gereden worden. Bovendien regelt de tand zichzelf. Is de bodem harder dan wordt automatisch minder diep gewerkt. In zeer harde bodems wordt wel beter een vaste tand gebruikt. Bij gebruik van een triltand is het risico op breuk hier te groot. De aangelegde drempeltjes waren ongeveer 10 cm hoog en hielden gedurende het volledige seizoen alle neerslag tegen. Ondanks het droge voorjaar en begin van de zomer, werd er in het najaar in de referentie zonder drempels toch run-off en sedimentverlies opgemeten. Bij de oogst van de prei ondervond de klembandrooier geen hinder van de aangelegde drempels. Op de helling zelf was de insporing veroorzaakt door de trekker ook niet dieper dan de stroken waar geen tandbewerking uitgevoerd werd. Onderaan de helling waren de omstandigheden wel duidelijk natter in de objecten waar drempeltjes en een tandbewerking gecombineerd werden.

De drempeltjes in de ruggenteelt van witloofwortelen vormen een probleem omdat ze hinderen bij het zaaien enkele weken na ruggentrekken, hinderen bij schoffelen begin juli en kunnen leiden tot slechte ontbladering bij oogsten. De diepe tandbewerking bleek in 2016 een goed alternatief te zijn. Omdat er geopteerd werd voor een heel smalle beitel om zo weinig mogelijk de ruggen te beschadigen werd in de natte omstandigheden van 2016 de bodem echter eerder gesneden in plaats van opgebroken. In de droge omstandigheden van juni 2017 werd de bodem in tussenruggen die bereden werden bij ruggentrekken, zaaien en beregenen opnieuw slecht opengebroken. Het effect was dat in beide jaren een scheur in de tussenrug ontstond die wel infiltratie toelaat, maar toch ook een preferentiële weg vormt voor afstromend water. Bij het gebruik van een vaste tand met iets bredere beitel (4 cm) kon de bodem wel mooi opgebroken worden en werd het bodemoppervlak verruwd. De werksnelheid diende wel verlaagd te worden tot een niveau waarbij geen grond op de ruggen werd geworpen. In beide behandelingen werd geen run-off en sediment opgevangen in ingegraven opvangbakken. In de referentie zonder tandbewerking wel. De proef werd zowel aangelegd in een geploegde strook als in een niet-kerend bewerkte strook. Hoewel niet-kerend werken geen effect had op erosie, werd wel vastgesteld dat de bodem 10 cm onder de witloofplantjes langer vochtiger bleef na beregenen dan bij ploegen.


Drempeltjes tussen preiruggen aangelegd in combinatie met een triltand. Er was weinig afstelling nodig, er kon snel gereden worden en de aangelegde drempeltjes waren mooi gelijkmatig.



Zicht op de tanden+beitels die werden gebruikt voor de tandbewerking in de ruggenteelt van witloof en hun effect op een tussenrug die sterk werd aangereden.


Meer details over de proeven zijn te vinden in het proefveldrapport: zie 
hoofdstuk 8 voor prei en hoofdstuk 9 voor witloofwortelen (Best openen met Google Chrome).


RESULTATEN 2016: EROSIE TEGENGAAN IN GROENTETEELTEN OP RUGGEN: BEVINDINGEN IN WITLOOF EN PREI. 

Zowel drempels als tandbewerkingen in de tussenrug kunnen in ruggenteelten de erosie sterk reduceren. Dit werd aangetoond op de Gomeros-proefvelden met prei en witloof in 2016. Een tandbewerking geeft de sterkste erosiebestrijdende werking wanneer ze uitgevoerd wordt in droge omstandigheden. Drempels van het type Barbutte worden best zo afgelegd dat ze voldoende solide zijn en de volledige breedte van de tussenrug overspannen. De stevigheid en hoogte van de drempeltjes is bepalend voor de erosiebestrijdende werking.

Om in ruggenteelten op erosiegevoelige percelen het afspoelen van water, vruchtbare grond, meststoffen en pesticiden te voorkomen, komt het erop aan de bodem in de tussenrug zoveel mogelijk te verruwen en de infiltratiecapaciteit te verhogen. Dit kan - zoals in de aardappelteelt - met drempeltjes, maar bij groenten op ruggen zijn ook andere methodes, zoals een tandbewerking, toegelaten door de randvoorwaarden erosie. In 2016 legde het Gomeros-project twee proeven aan in de ruggenteelten van prei en witloofwortelen. In prei werd een bewerking met een vaste tand en een triltand vergeleken met bewerkingen die drempeltjes aanleggen zoals de Barbutte (Cottard) en de Dyker (Grimme). In witloof werd een vaste tandbewerking vergeleken met de Dyker (Grimme). Alle bewerkingen werden vergeleken met een referentie waar niets gedaan werd. Er was zowel aandacht voor het erosiereducerende effect als de compatibiliteit met de teelttechniek.

Elke verruwing van de tussenrug leidde in de aangelegde proeven tot een sterk verminderde erosie. Dit werd aangetoond door het opvangen van het afgestroomd water en sediment in bakken tijdens het teeltseizoen. De metingen gebeurden na de extreme neerslag van de eerste helft van 2016. Op het preiperceel werd er gemeten van 8 augustus tot 14 november. In deze periode viel – gelijkmatig verspreid – in totaal 181 l/m².

Voornamelijk in de wielsporen van de aangiettractor werd veel sediment opgevangen. Elke
verruwing van de tussenrug had een zeer sterk erosie reducerend effect.




In de tussenruggen werden kuipen ingegraven. Deze werden periodiek bemonsterd om de afgestroomde hoeveelheid sediment te bepalen.


Erosiesimulaties gaven aan dat bij extreme regenval, op een al vrij natte bodem, de Dyker, de triltand- en vaste tand bewerking ongeveer 10 tot 15 mm regen op 5 minuten konden opvangen. De Barbutte scoorde duidelijk beter en kon een regenbui van 25 tot 30 mm in 9 minuten doorstaan.

De omstandigheden waarin de bewerkingen toegepast worden zijn van cruciaal belang. In droge omstandigheden wordt bij een tandbewerking de bodem mooi opgewerkt waardoor de bodemruwheid en infiltratiecapaciteit toenemen. In natte omstandigheden wordt een sleuf getrokken in de tussenrug waardoor de erosie juist kan gaan toenemen. Bij het aanleggen van de drempeltjes, type Barbutte, bleek dat erover gewaakt moet worden dat de drempeltjes voldoende solide zijn en de volledige breedte van de tussenrug overspannen. Als de drempel asymmetrisch is afgelegd, stroomt het water gewoon langs het laagste punt. Het combineren van een vaste tand of een triltand met drempeltjes heeft een grote invloed op de grootte van de drempeltjes. De tand maakt immers de bovenste bodemlaag los waardoor meer aarde meegenomen wordt en het drempeltje dus groter is. Bovendien neemt door de tandbewerking de infiltratiecapaciteit in de tussenrug toe.

In de ruggenteelt witloof is het bijkomstig een probleem dat de tandbewerking of het aanleggen van drempels moet herhaald worden. Tussen ruggen trekken en zaaien, en tussen zaaien en schoffelen zitten immers een aantal weken. De witloofteler waarmee werd samengewerkt in het GOMEROS-project, paste zijn zaaimachine en schoffelmachine aan zodat de diepe tandbewerking samen met zaaien en schoffelen kon worden uitgevoerd. De diepe tandbewerking gelijktijdig met zaaien, gaf problemen en bleek geen goede optie. Het frame van de zaaimachine is relatief zwak en met de diepe tand komt er teveel kracht op de machine. Bovendien moet het zaaien precies gebeuren, en door de diepe tandbewerking kan de machine scheef gaan trekken. De tandbewerking wordt dus best in een aparte werkgang na zaaien uitgevoerd. Combinatie van schoffelen met de diepe tandbewerking noopte de chauffeur iets trager te gaan rijden, maar de combinatie was wel goed haalbaar.

Het effect van het type tand, en de diepte van de bewerking in combinatie met het afleggen van drempeltjes zal verder onderzocht worden in 2017.

Meer details over de proeven zijn te vinden in het proefveldrapport: zie hoofdstuk 5 voor prei en hoofdstuk 6 voor witloofwortelen (Best openen met Google Chrome).