Actueel

Herstructureringsprogramma "rode" landbouwbedrijven in stikstofaanpak goedgekeurd

De Vlaamse regering heeft op vrijdag 30 januari 2015 een akkoord gevonden omtrent het flankerend beleid voor landbouwbedrijven die zwaarst getroffen zijn door de instandhoudingsdoelstellingen (IHD). Dit zijn de zogenaamde “rode” landbouwbedrijven in het kader van de stikstofaanpak. Het goedgekeurde flankerend beleid moet maximaal toelaten oplossingen op maat van de getroffen bedrijven uit te werken. De maatregelen uit het herstructureringsprogramma worden vrijwillig ingezet op vraag van de landbouwer. Met deze goedkeuring wil men/wordt getracht de getroffen landbouwers en hun gezinnen een perspectief te bieden. Het voorzien van het nodige budget voor dit flankerend beleid blijft is echter nog niet geconcretiseerd.

Het goedgekeurde flankerend beleid omvat vijf maatregelen, die gaan van bedrijfsreconversie tot het verplaatsen of stopzetten van het bedrijf, en zal de getroffen veehouders "op een passende wijze vergoeden en compenseren". De 5 maatregelen waarin de Vlaamse regering voorziet zijn:

  • bedrijfsverplaatsing : starten van een nieuw bedrijf op een geschikte locatie
  • bedrijfsreconversie : omschakeling van bedrijfsactiviteit of drastische investering binnen dezelfde bedrijfsactiviteit
  • bedrijfsbeëindiging : stopzetting van de bedrijfsactiviteit
  • uitgestelde bedrijfsbeëindiging : stopzetting van de bedrijfsactiviteit na verloop van tijd
  • koopplicht : verplichte aankoop van het bedrijf door de overheid (onteigening) 

Op basis van deze maatregelen kan vervolgens een raming worden gemaakt van de totale kostprijs van de stikstofaanpak voor de landbouw. Bij de begrotingsaanpassing-2015 zal de Vlaamse regering vaststellen welke bijkomende middelen kunnen worden vrijgemaakt. In september 2015 zou dan een herstructureringsprogramma voor de zogenaamde “oranje” bedrijven goedgekeurd worden.

IHD en PAS in West-Vlaanderen

Waarover gaat het?  Duurzame natuur ontwikkelen ...

De doelen die het natuurbeleid in Vlaanderen nastreeft, worden steeds meer en meer bepaald door Europese regelgeving. Het ultieme doel is om binnen Europa te komen tot een samenhangend netwerk van beschermde en goed beheerde gebieden waarin een grote verscheidenheid aan soorten ontwikkeld wordt en op langere termijn behouden blijft: het Natura 2000 netwerk.

Om dat te bereiken heeft Europa de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn(*) (1992) ingesteld. Daarin zijn voor elke lidstaat de kwetsbare soorten en habitattypes die beschermd moeten worden, aangegeven.
* Met een habitat wordt de leefomgeving bedoeld waar bepaalde dieren of planten voorkomen.

Elke lidstaat heeft gebieden aangeduid waarbinnen die soorten en habitats zouden moeten kunnen ontwikkelen (Vogel- en habitatrichtlijngebieden). Vlaanderen  duidde reeds in 1988/1996 en 2001 62 Natura2000 gebieden met een totale oppervlakte van 166.100 ha aan. 

Daarnaast moeten de lidstaten acties nemen om de soorten en habitats effectief te realiseren en te beschermen. Hoewel een en ander reeds in 2002 in regelgeving werd verankerd, is Vlaanderen pas in 2009 effectief van start gegaan met de realisatie van de Europese doelen door de aanduiding van vogel- en habitatrichtlijngebieden als speciale beschermingszones (SBZ). In 2014 heeft men ook de doelstellingen (de zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen) vastgelegd.


Wat moet er gebeuren?

  1. Realiseren natuurdoelen (= de instandhoudingsdoelstellingen)

    Per  SBZ zijn er natuurdoelstellingen vastgelegd en die hebben concreet betrekking op de oppervlakte die nodig is, de populatiegrootte van soorten, en de nodige milieuomstandigheden

    Daarmee is geweten wat er moet gebeuren, maar nog niet waar (tot op perceelsniveau) en hoe (via welke maatregelen)  we daar moeten geraken.    
    Om dat te realiseren  zal per SBZ een managementplan opgemaakt worden. Dit wil men doen in overleg met betrokken actoren (vnl. landbouw en natuur). Het vertrekpunt hier bij is wat er reeds aanwezig is aan natuur, wat gerealiseerd kan worden in domeinen in eigendom van en/of in beheer van de overheid of terreinbeherende verenigingen  (bvb Natuurpunt), wat gerealiseerd kan worden via vrijwillige acties. Indien dan nog nodig, zullen maatregelen opgelegd worden.

    Bedoeling is om in een managementplan na te gaan wat goede maatregelen zijn om de natuurdoelen te halen, na te gaan of ze haalbaar en betaalbaar zijn, de afweging te maken tussen de natuurdoelen en landbouw, economie, recreatie, cultuur enz.      

    Om dan de natuurdoelen effectief te realiseren  zal men verschillende acties ondernemen: bv. omvormen van bestaand bos naar het juiste type, aanplanten van bos, plaggen van gronden, aangepast maai- of graasbeheer van graslanden….. Gelukkig zijn er nu natuurgebieden die al aan de doelstellingen voldoen, maar andere (natuur)gebieden moeten nog geoptimaliseerd of ingericht worden.

  2. Negatieve invloed op de leefomgeving moet voorkomen worden

     

    Het realiseren van kwaliteitsvolle natuur heeft alleen zin als de milieu-omstandigheden voor die natuur in goede staat zijn en blijven. Dit betekent ook dat negatieve invloeden van activiteiten in de omgeving voorkomen of beperkt moeten worden. Met betrekking tot landbouwactiviteiten gaat het om mogelijks verzurende en vermestende emissies via ammoniakuitstoot, en om verdroging van het habitat.

    Via een PAS (Programmatische Aanpak van de Stikstofdeposities) zal men zowel algemene als specifieke maatregelen uitwerken om ammoniakemissies te voorkomen of te beperken.

    Om de land- en tuinbouwers enig zicht te geven op de toestand  van hun eigen bedrijf is op basis van gekende gegevens een eerste berekening gemaakt van de mogelijke stikstofneerslag op een SBZ. De berekeningen resulteerden in een groene, oranje en rode brief naar gelang de omvang van de stikstofdepositie. Let wel, deze brieven zijn puur informatief. Om een correct beeld te krijgen, kan een herberekening gebeuren op basis van de vergunning .
        
    N.a.v. het  vernieuwen en/of uitbreiden van de milieuvergunning voor bedrijven die in de nabijheid van een SBZ gelegen zijn en waarvan men vermoedt dat er negatieve effecten zijn, maakt men een ‘passende beoordeling’ op.

    Daaruit kan men opmaken of er negatieve effecten zijn, en of en hoe die eventueel voorkomen kunnen worden. De passende beoordeling zal  mee de basis vormen voor het al dan niet verlenen van de gevraagde milieuvergunning. 

    Omdat het uitwerken van een PAS nog enige tijd zal vergen, is er m.b.t. de milieuvergunningen een overgangsperiode voorzien.


Wilt u meer en meer gedetailleerde informatie?

Het gehele IHD-proces is vrij ingewikkeld en nog volop in ontwikkeling, en niet alle info is reeds beschikbaar.
U kunt terecht op deze websites voor heel wat meer informatie, en antwoorden op concrete vragen. 

http://www.natura2000.vlaanderen.be/pas 
http://www.natuurenbos.be/nl-BE/natuurbeleid/natuur-en-natura-2000/natura_2000/PAS


Wie is aan zet?

In het hele proces zit Vlaanderen aan het stuur. Voor de concrete uitwerking kreeg het ANB (Agentschap voor Natuur en Bos) de opdracht. Dit doen ze natuurlijk niet alleen. De andere Vlaamse administraties (VLM, ADLO…) krijgen ook een belangrijke rol. Ook vele anderen worden intensief betrokken zoals ILVO, de landbouworganisaties, de natuurorganisaties, de provincies….. Ook Inagro neemt hier zijn rol op.

Wat doet INAGRO in het kader van de Instandhoudingsdoelen en PAS?

  1. Het ganse IHD-proces wordt gestuurd vanuit de Vlaamse overheid. Inagro volgt  de voortgang van het proces op de voet. We kijken waar en wanneer we met onze kennis, advies- en dienstverlening de  betrokken land- en tuinbouwers kunnen ondersteunen (maar ook het beleid).

  2. Inagro beschikt over een adviesdienst luchtemissies in de veehouderij. Vanuit die deskundigheid kunnen wij u helpen om de situatie op uw eigen bedrijf in te schatten, met kennis over de beschikbare reducerende technieken en maatregelen.

  3. Inagro is lid van VEMIS. Samen met andere organisaties werken we aan onderzoek en kennisverspreiding over o.a. ammoniakemissies. Inagro neemt zo ook deel aan verschillende onderzoekprojecten en staat in voor de verspreiding van de resultaten naar de sector.

  4. Voor een aantal veebedrijven kunnen IHD’s zware gevolgen hebben. Misschien denkt u er wel aan om uw bedrijf anders te gaan oriënteren? Onze medewerkers (onderzoekers-voorlichters) staan klaar om u te adviseren over verschillende mogelijkheden vanuit onze jarenlange ervaring in verschillende sectoren.