Voor grondgebonden landbouw is grond uiteraard een essentieel productiemiddel.

Doorheen de 20ste eeuw werd steeds duidelijker dat de gewone huurwetgeving niet aangepast was aan de noden van de Belgische landbouw. Bedrijfszekerheid en zware investeringen waren moeilijk te rijmen met overeenkomsten die op korte termijn opzegbaar waren.

Gaandeweg kwam men tot een specifieke regelgeving waarin de rechten en plichten niet door de partijen (eigenlijk: de eigenaar) werden bepaald, maar door de wet die steeds en uit zichzelf toepassing vindt wanneer landbouwgrond wordt verhuurd.

Vandaag ligt deze wetgeving vervat in de Wet van 23 oktober 1969 zoals gewijzigd bij Wet van 7 november 1988, beter bekend als de Landpachtwet.

De Landpachtwet biedt een aanzienlijke bescherming bij huurovereenkomsten omtrent onroerend goed dat met toestemming van de verpachter wordt ingezet in het landbouwbedrijf van de pachter.

Met een landbouwbedrijf wordt dan bedoeld: een bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop.

De Landpachtwet vindt nochtans geen toepassing in een aantal specifieke gevallen, o.m. bij huur van onroerend goed dat gebruikt wordt voor industriële vetmesterij en industriële fokkerij, onafhankelijk van een landbouwbedrijf en bij zogenaamde seizoenpacht.

Bij het aangaan van een pachtovereenkomst is voorzichtigheid geboden. Men doet er goed aan vooraf bij een specialist inzake landpachtwetgeving advies in te winnen.